Ik, schrijvertje

Mijn zwarte dekschild is overdekt met rijen stipjes. In zonlicht, weet ik, glanst mijn schild en komen de stipjes mooi uit. Ook bezit ik vier korte, krachtige roeipootjes en twee langere voorpoten. Gyrinus Natans, schrijvertje ben ik. Zonder hoofdletter en mét achtervoegsel. Het is niet anders. Er zijn opvallender bewoners van de grote waterplas dan ik, zoals de bosbeekjuffer, de oeverlibelle, de moerasloopkever, het bootsmannetje, de waterschorpioen, de schaatsenrijder, de gestippelde duikerwants, en de vijverloper, om er een paar te noemen. Mijn werkterrein is daarmee vol en druk.

De grote waterplas waar ik woon is mijn bron van inspiratie. Ik maak deel uit van een heerlijke natuur, mijn larven zijn een kostbare schat. Ook mijn medeschrijvertjes zijn inspirerend. Maar wij zijn talrijk en na met elkaar over het water te hebben gescheerd, zoek ik graag de afzondering. En daar ligt het probleem.
Het liefst schrijf ik, zo mooi als ik kan, de hele dag kriskras over het wateroppervlak, van links naar rechts, weer terug en diagonaal. Ik wil mij bezighouden met de rimpelingen door een fijne bries, zonnevlekjes dansend op het water, schaduwen van lisdodden, deining van de waterlelies, opstijgende luchtbellen. Maar ook met al die verhalen, die verscholen liggen in het slijk, die kleven aan de stengels van waterplanten, die zo ritmisch meebewegen achter de kieuwen van vissen.
Dat alles wil ik beschrijven. En omdat ik serieus van aard ben, hoewel ik bij vlagen zeker licht en dartel kan zijn, wil ik dat heel zorgvuldig doen. Veel tijd heb ik daarvoor nodig. Alleen gelaten worden. Maar het kost mij moeite de plekjes te vinden waar ik alleen kan zijn. Mijn vrienden willen met me spelen, eten, drinken, de grote waterplas verkennen tot in de verste uithoeken. Mannetjes zoeken mij regelmatig op en soms zonder ik mij met een van hen af. Maar met de concentratie is het daarna een poosje wel gedaan.
‘Waar maak je je druk om?‘ vragen ze.
‘Wil je met dit soort schrijven je kleine
leventje op orde houden?‘
‘Wil je indruk maken op óns?‘ dringen ze aan.
‘Wil je onsterfelijk worden?‘
‘Je hebt zo weinig aandacht meer voor ons!‘ roepen ze.
‘Je bent niet alléén op de waterplas!‘
Ze hebben gelijk, denk ik weleens. Wie heeft er wat aan dat ik mooi schrijf? Ben ik niet geschapen om met hén te verkeren? Aan de andere kant, ons schrijven ligt in de aard van het beestje, de soort waartoe ik behoor. En in mij schopt en beweegt de drang om als schrijvertje beter te worden, almaar beter.

Mijn pech is ook nog dat ik een ochtendschrijvertje ben. Juist als het een gekwaak, gezoem, gespring, en geklapwiek is, dat horen en zien je vergaan. Eenden verlaten hun nesten, kikkers springen je voor de kop, dobbers van hengelaars bedreigen je leven, evenals vreemdsoortige voorwerpen, ergens vanaf de kant. En dan heb ik het nog niet over het grotere gespuis, dat voortdurend op jacht is.
De larven moeten permanent beschermd, en gevoed worden.
In de avond, als de plas donker en rustig geworden is, als alleen de maan en soms de wolken zo kalm onder mij voorbij schuiven, ja, dán zou ik mooi kunnen schrijven! Als ik niet zo moe was van het schetterend gewemel van de dag.


© Bernique Touw-Smits, oktober 2005